Universiteit Leiden

nl en

Wrak in de Waddenzee: ‘Objecten vertellen het verhaal’

Meer dan veertig jaar geleden werd in de Waddenzee een vergaan koopvaardijschip gevonden. Promovenda Geke Burger bekeek deze archeologische vondst met een historische blik.

Nadat het schip, dat de naam Scheurrak SO1 kreeg, was gevonden, volgde al in de jaren tachtig van de vorige eeuw een archeologisch onderzoek. Meer dan zesduizend (delen van) voorwerpen werden opgedoken, genummerd en beschreven, van visgraten uit de proviand tot een opvallende hoeveelheid schoenen. Het leidde onder meer tot de conclusie dat het schip na 1590 moet zijn vergaan, wellicht in de beruchte Tesselschaderamp van 1593.

Vondstencomplex

Tegelijkertijd vertelde het archeologische onderzoek niet het hele verhaal van het schip, zegt Burger. ‘Er waren heel veel losse rapporten en opgravingsdata, die nooit zijn gebundeld. Er was bovendien maar heel beperkt historisch onderzoek naar het schip gedaan.’ Het was bekend dat Scheurrak SO1 waarschijnlijk een Straatvaarder was, een schip dat met graan uit het Oostzeegebied op weg was naar de Middellandse Zee. Toch waren er ook nog veel vragen: wat deden al die schoenen bijvoorbeeld aan boord van zo’n schip?

Burger: ‘Ik heb het hele vondstencomplex bestudeerd en het waar mogelijk in verband gebracht met archiefbronnen. Daarvoor heb ik gebruikgemaakt van het concept van het ‘maritiem cultuurlandschap’, waarbij ik aan de hand van historische én archeologische bronnen het netwerk rondom het schip in kaart heb gebracht.’

Europees netwerk

In een schip komen ontzettend veel dingen samen: groepen mensen, geografische gebieden, culturele patronen en historische ontwikkelingen. ‘De zeevaarders aan boord voerden de reis uit’, vertelt Burger, ‘maar aan de wal waren er ook mastenmakers, zeilmakers, touwslagers en andere ambachtslieden die de scheepvaart faciliteerden. Verder waren er Hollandse kooplieden die hun ladingen Baltisch graan lieten vervoeren, waaronder ook veel handelaren met een migratieachtergrond die vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden waren gevlucht. De kanonnen kwamen uit Engeland, het scheepshout voor een groot deel uit Scandinavië, en de retourlading was vaak Portugees zout. Ook de Baltische inkoopmarkten en Mediterrane afzetmarkten van het graan verdienen de aandacht.’

Met één archiefstuk kon het raadsel van de schoenen worden opgelost. ‘Zeventig à tachtig paar is erg veel voor een bemanning van ongeveer 25 mensen’, vertelt Burger. ‘De rijk gedecoreerde schoenen waren helemaal niet praktisch voor het werk aan boord. Bovendien werd een deel van de schoenen op het dek tussen de handelswaar aangetroffen, daar zaten ook ongebruikte exemplaren bij. De schoenen leken dus voor een deel handelsgoederen te zijn. In de archieven heb ik uiteindelijk een brief gevonden waarin een koopmansagent vanuit Genua naar zijn werkgever in Leiden schrijft dat er in Italië een tekort aan schoenen was, met het advies een vracht schoenen per schip te sturen.’

Objecten centraal

Burger benadrukt daarbij het belang van de gevonden objecten. ‘In veel historisch onderzoek staan geschreven bronnen centraal, maar daarin komen zaken als het leven aan boord, zeemanskledij en vrijetijdsbesteding nauwelijks aan bod. Door te focussen op de objecten, kom je veel dichter bij de gewone mensen dan je op basis van geschreven bronnen zou kunnen komen. We weten wat ze droegen, uit welke borden ze aten, hoe hun slaapplek eruitzag en wat ze bij zich hadden aan persoonlijke voorwerpen. ‘Het bestuderen van de dagelijkse context van de zeeman aan de hand van objecten is het vernieuwende van mijn onderzoek. Door vanuit de materiële cultuur naar de geschiedenis te kijken kan er een nieuw verhaal verteld worden.’

Promotie 8 april

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.